Wat zijn ze toch lief...

Vroeger had ik een lijst, en ik weet zeker dat ik hem nog steeds wel ergens moet hebben liggen, alleen, ik weet nu even niet zo snel waar... nou ja, in elk geval, een Lijst van Dingen Die Ik Nooitnooitnooit Maar Dan Ook Nooit Tegen Mijn Eigen Kinderen Zou Zeggen. Het was een hele lange lijst, dat weet ik nog wel, ik hield hem goed bij. Wat mijn vader en moeder dan zo op een dag gedachtenloos aan door mij verachte standaard-uitdrukkingen en routine-grapjes naar voren brachten, kwam op mijn lijst. Ik werd daar ook steeds strenger in en op zekere leeftijd schreef ik gewoon blindelings álles wat het ouderlijk gezag nog te melden had op mijn lijst, mijn hemel, wat een onzin kraamden die mensen uit zeg, maar goed, dat is eigenlijk ook weer een heel ander verhaal en daar kunnen we het later misschien nog wel eens een keer over hebben. De meest onpraktische dingen heb ik er naderhand wel weer vanaf gehaald en zo hield ik een heel overzichtelijk lijstje in twee kolommen over, waar ik helemaal achter stond. De ene kolom waren de Opvoedkundige Clichés, zoals: Omdat ík het zeg, Eet je bord leeg, Ruim je rotzooi op anders doe ík het, Hoe váák moet ik het nog zeggen? Enzovoort, enzovoort, enzovoort, enzovoort. In de andere kolom stonden de Zogenaamd Grappige Dooddoeners en Stoplappen: Hussen met je neus er tussen, Dan kan je je broek ophalen, Morgen is er weer een dag, Doe nou maar gewoon dan doe je al gek genoeg... Enfin, ik hoef het u niet uit te leggen, u bent er zelf mee grootgebracht, nietwaar. En in die tweede kolom stond ook het grapje dat ik eigenlijk al vergeten was maar dat ik laatst weer eens hoorde, op straat, want ja, je hebt soms nogal bekijks als je met twee van die peuters boodschappen probeert te doen. Welwillende glimlachjes van moeders met buggies, van zwangere vrouwen, vertederde dames en aardige meisjes waarvan ik allemaal stiekem hoop dat ze denken: wat een leuke vader is dát. Want ook een huisman is een man. Maar het is vooral de oudere generatie die van mijn noodgedwongen oponthoud - loop nou doohoor, niet van de stoep, kijk uit waar je loopt, til je voeten dan op - graag gebruik maakt voor een praatje. Wat een schatjes, zeggen ze dan, wat een lieverdjes. En ik moet zeggen, ik heb daar niet altijd zin in, zeker niet als het weer uitloopt op zwaaizwaai, kielekiele, kneepje in de wang, maar als ze zo lekker ingewikkeld in de weer lopen te drentelen met ieder hun eigen stokje, blonde haren, blauwe jasjes... dan lokken ze het ook wel een beetje uit. Ze vragen er gewoon om. Wat een schatjes. Dus meestal beaam ik dat dan ook maar, met gepaste vaderlijke trots: Oh, het zijn zulke schatjes. En laatst was er dan dus iemand die daar met zo’n ouderwets schalks lachje aan toevoegde: Vooral als ze slapen zeker? En toen dacht ik: Verrek, die stond op mijn lijst. In de tweede kolom. Oubollige grapjes. Die ík nooit zou maken. Dus, plotseling trouw aan mijn principes sputterde ik vriendelijk tegen dat ze wakker ook écht héél erg lief waren, want dat was, herinnerde ik mij nu ook opeens weer, precies de reden waarom ik er zelf zo’n hekel aan had wanneer ze dat over mij zeiden: Het is een schatje, als-ie slaapt. Als hij wakker is, is het minder, hoorde ik dan, en kon er niet om lachen, zoals de bakker en de slager en de melkboer op de hoek, anders nog iets, mevrouw, tot ziens. Maar goed, om niet al te cru over te komen glimlachte papa nu dan toch ook maar een beetje mee met die meneer dat zijn jongetjes als ze slapen inderdaad schatjes zijn. Tja... En ach, zo erg is dat misschien ook helemaal niet want laten we wel wezen: dat lijstje is niet voor niets weggeraakt. Papa hoort zichzelf natuurlijk ook wel eens, af en toe. Steeds vaker. Aan tafel bijvoorbeeld. Als de peuter van twee zijn boterham in hele kleine kruimeltjes om zijn bordje heen legt om ze dan met een breed armgebaar en een even brede grijns van en over en onder de tafel te vegen, waar je even niet op kon letten omdat de peuter van drie zijn boterham juist in zúlke grote stukken in zijn mond zit te proppen dat hij er wel in móet stikken, wat hij dan ook bijna doet, met roodaangelopen hoofd en natte, halfgekauwde stukken brood in het rond hoestend en proestend en sproeiend terwijl de puber met een van verveling en ongekamde haren en hormonen afgezakt gezicht gelijk maar álle hagelslag op haar boterham laat vallen, ik wist toch óók niet dat er nog zo veel inzat. Of als de twee jongetjes weer allebei met van die fanatieke koppies luidkeels mijmijmij roepend ieder aan één kant van de kiepauto, het hobbelpaard, het emmertje staan te trekken, krokodilletranen van verontwaardiging naar papa opkijkend, ik, mij, nee ik, ja maar hij. Of als je wel eens zo’n dag hebt. Zo’n dag dat de peuter van twee de hele dag je been vasthoudt. Zo’n dag dat de peuter van drie de héle dag om snoep en koek en ijs loopt te zeuren, zelfs al heeft hij z’n mond nog vol. En wil je me voorlezen, papa? Zo’n dag dat de puber al úren niet van de bank af is te bránden, met dat lange, sluike lijf en die eeuwige stapel Tina’s en dan verwijtend geeuwt: Papa, ik vervéél me. Of als die van drie weer eens iets niet wil, met al het drama dat hij daar bij vindt horen: nee papa, dat wil ik écht niet. Ik wil geen luier, geen hemd en geen broek, geen sokken geen schoenen geen jas. Ik wil niet naar bed en ik wil er niet uit, ik wil niet naar boven en niet naar beneden en niet naar de bakker en ook niet naar huis. En zeker niet op het potje. Dan. Op zulke momenten. Dan wil er nog wel eens iets uitflappen. Iets van de Lijst. Of papa dat nou wil of niet, het gaat gewoon vanzelf. En het wordt dus ook almaar erger want gisteravond stond ik in het donker naar ze te kijken, in hun bedjes, met hun kont omhoog en hun haar door de war en hun engelengezichtjes en ik hoorde het mezelf zeggen, tegen mijn vrouw. Wat zijn ze toch lief. Vooral als ze slapen.

 

 

©2001JosvanVenrooij






































Uit:
Van hoogslapers en twijfelaars. Slaapmutsjes, bedsokken en ander nachtgoed.
Uitgave 2001: Jade

meer publicaties »