uit het huismannenpraatjesarchief
Uit niet uit

Erg uithuizig ben je niet meer, als je eenmaal met twee kinderen aan huis bent gebonden. En ach, zo erg is dat ook weer niet, het grote uitgaan hebben we toch wel zo’n beetje gehad en trouwens, daar zijn we ook veel te moe voor, aan het eind van de dag. Poepoe. Dan zijn we blij dat ze er eindelijk in liggen, en dat we nog even rustig boven een boek kunnen dutten voor we er zelf ook in kruipen. Bovendien is het een heel gedoe om een avondje samen weg te kunnen. Dat moet je dágen van tevoren al regelen anders heb je niet eens een oppas. En dáár hebben we vaak al niet eens zin in. In al dat gebel. En wie ga je bellen? Je probeert een paar vrienden maar ja, die hebben ook allemaal kleine kinderen dus die zijn ’s avonds ook blij dat ze zitten. Of ze hebben wat anders te doen of ze zijn zelf net op zoek naar een oppas. En tegen de tijd dat je dan maar aan je lijstje middelbare scholieren gaat beginnen en je avondje uit dus vijf gulden per uur duurder maakt, heb je wel al de hele avond aan de telefoon gezeten en ben je met een groot gedeelte van je sociale omgeving weer lekker bijgepraat. En als het je dan al lukt om zo’n meisje te reserveren, want die pubers hebben het ook al druk tegenwoordig, dan moet je gelijk na de film of de voorstelling zonder borrel of nazit naar huis omdat je dat kind toch ook niet tot diep in de nacht uit haar bed kan houden. Laat staan jezelf. Bovendien regent het natuurlijk uitgerekend die avond pijpenstelen en was je veel liever lekker thuis gebleven, heb je allang weer spijt van al je jeugdige moeten. Dus daar begin je meestal maar niet eens meer aan. Maar nu het weer zo’n beetje winter wordt en koud, wordt het overdag ook een hele klus om de deur uit te komen. Trek daar gerust wat tijd voor uit. Voordat je beneden op de stoep staat om eindelijk naar de bakker te vertrekken, is het al weer bijna tijd om naar huis terug te gaan voor een boterham. Want hoe gaat dat? De hele dag willen ze op schoot, lopen ze om je benen heen te draaien en breeduit voor je uit te slenteren, als het ‘jassen aan schoenen aan’ klinkt, is dat natuurlijk hét moment om giechelend en proestend hard weg te rennen en aan een spelletje te beginnen. Verstopt en ook verstopt, je maakt wat mee met die twee. Goed, na een tijdje heb je er dan één op de commode zitten en terwijl je de eerste schoen aan zijn niet meewerkende en verkeerdomgedraaide voet probeert te krijgen, speelt hij ondertussen gewoon verder met zijn graafauto en zijn pollepel, terwijl de kleinste op de grond de veters uit de andere schoenen zit te peuteren, met een geconcentreerde blik in zijn ogen want het is een moeilijk werkje. Wanneer je nummer één eindelijk in zijn schoenen hebt, heeft nummer twee inmiddels zijn sokken uit. Als je de veters en de sokken weer vanonder het bed en de kast vandaan hebt gevist en het voetenwerk langzaamaan achter de rug is, wordt het tijd voor het mutsen en dassen en jassen aantrekken, en dat valt ook niet mee want ze hebben van alles te doen: kopje duikelen, dansen, hun beker moet nog leeg, het maakt niet uit, als het maar onhandig is, als het maar in de weg zit. En dat vliegtuig moet mee naar buiten dus dat willen ze niet loslaten, dat gaat eerst mee de mouw in en daarna van hand naar hand, natuurlijk wel steeds eerst de verkeerde anders gaat het veel te snel. En liefst halen ze ook nog even een ander vliegtuig. Die grote. Tot slot dan de handschoenenpuzzel, iedere vinger in zijn huisje, hè pap, zeven keer overnieuw, oh jee, tot alles zit waar het hoort. Dan moet papa zelf nog z’n schoenen en z’n jas, de buggy naar beneden, en de tas met glas, het boodschappenlijstje nog even pakken en nee, die boeken die mogen niet mee, leg die maar weer terug in de kamer. En als ze dan allebei nog steeds alles aan en op en om hebben, de veters nog vast, de ritsen nog dicht, dan kunnen we eindelijk gaan. Jongens, kom nou, we gaan. Op naar de bakker, de slager, de slijter, op naar de supermarkt. En wat ruikt papa dan, halverwege de trap? Inderdaad. Het liefst natuurlijk twee.


 ©JosvanVenrooij