uit het huismannenpraatjesarchief
Uit de luiers
Dan mag hij nog even in het potje
plassen, zei de zuster, breeduit naar papa lachend en die dacht nog, trots
plotseling, op die lach, maar vooral op zijn zoon: ja, inderdaad, dat kan hij
tegenwoordig. Want dat is waar ook. Sinds kort zijn wij helemaal uit de luiers,
met onze jongens. Zomaar opeens en bijna ongemerkt, wat eigenlijk merkwaardig is
omdat het natuurlijk wel een beetje een moment is om reikhalzend naar uit te
kijken, de dag dat je uit de luiers bent. Was zelfs nog een argument om ze zo
dicht mogelijk op elkaar te plannen. Dat je niet, als je nét uit de luiers was
met de één, met de tweede opnieuw kon beginnen. Maar dat je in één lange ruk
uit de luiers was. En dan ís het na vier jaar eindelijk zover, blijk je het
nauwelijks te hebben gemerkt. Hoewel dat nou ook weer niet zo vreemd is, omdat
het in het begin nog knap bewerkelijk is hoor, dat uit de luiers zijn. Dat kost
je de eerste paar weken handenvol méér tijd dan af en toe een nieuwe luier. Je
houdt niet alleen geen seconde over om je te realiseren dat je uit de luiers
bent, je hebt ook helemaal niet het idéé dat je dat bent want meer dan ooit
tevoren ben je juist dáár mee in de weer. Je bent voortdurend angstvallig
bezig iedere houding en elke beweging te registreren en te interpreteren, te
plaatsen en te duiden. Alle blikken, gelaatsuitdrukkingen en gebaren moeten
ingeschat, uitgelegd en ingevuld. Moet je plassen, moet je poepen, moet je op
het potje? En: als je moet, moet je het zeggen hoor, zul je het zeggen? Tegen
papa? Omdat je voor hemzelf graag wilt dat hij het goed doet, zeker, om hem fijn
te kunnen prijzen, voor zijn zelfvertrouwen, uiteraard. Maar toch ook omdat je
jezelf de smerigheid van een volgescheten broek wilt besparen. Want geloof me,
er is geen moment waarop je zó hartstochtelijk naar luiers terugverlangt als
wanneer je peuter een beetje stram en ongemakkelijk wijdbeens je blikveld weer
in komt strompelen, zijn hand tegen zijn billen, om je met een bedrukt gezicht
te vertellen dat hij moet poepen. Waarmee hij bedoelt dat hij dat al gedaan
heeft, dat ruik je zo. Of het moet het moment zijn dat je midden in de nacht in
een koude, donkere kinderkamer met kletsnatte lakens en dekbedden in de weer
bent, met washandjes en schone pyamabroeken, terwijl je zo lekker lag te slapen.
Maar goed. Onze jongste zoon is nu dus ook groot, en doet het op het potje. Dat
wil zeggen: zijn eigen potje. En alléén wanneer híj het wil dus wanneer hij
nodig moet. En als het écht niet anders kan, dan in vredesnaam maar op een wc,
maar dan wil hij wel met twéé handen worden vastgehouden. En geef hem eens
ongelijk, met dat smalle, slanke kontje boven dat enge grote gat. Dus dat potje
dat de zuster daar omhoog houdt, tja, dat kon nog wel eens een probleem worden.
Niet dat papa het meteen op wil geven, als de zuster zo naar hem blijft lachen,
maar als zijn zoon nodig moet, en dat zal hij wel moeten anders doet hij het
niet, dan is dat potje waarschijnlijk veel te klein. En ga zo’n jongen maar
eens uitleggen dat hij moet stoppen als het potje bijna vol is. Dus hoe gaat
papa dat aanpakken, vraagt hij zich af, zonder dat alles nat wordt? Toch maar
eerst op de wc proberen. Vol goede moed laat de peuter zich met zijn broek op de
schoenen op de enorme wc-pot hijsen. Tot papa, een beetje gehaast omdat hij bang
is het grote moment te missen, aanstalten maakt het plastic potje onder zijn
piemel te hangen, want wat is daar dan eigenlijk weer de handigste manier voor?
Papa probeert het potje zonder zijn jongen al te los te laten tussen die kleine
beentjes door te wurmen en te schutteren, maar als het potje dan eindelijk op
zijn plek hangt, bedenkt papa nog net op tijd dat als dat met een leeg potje al
moeilijk en onhandig gaat, het met een tot de rand toe volgepiest potje op de
terugweg natuurlijk geheid een kledderboel wordt. Dus dan misschien maar
achterdoor, onderlangs. Dan moet papa wel weer een stukje overeind komen, om er
een beetje bij te kunnen en het niet helemaal op de gok maar ergens in die pot
te steken, waardoor zijn jongen tenslotte vindt dat hij teveel aan het wankelen
raakt en zich, je moet me vasthouden papa, zó stevig aan papa’s andere
arm optrekt dat díe zijn evenwicht bijna verliest en maar net kan voorkomen dat
zijn zoon te water raakt. Gelukkig wordt de ergste schrik meteen vergeten bij
het voor een driejarige natuurlijk adembenemende, Thunderbirds-achtige
schouwspel van de wc-bril die zich, omdat hij geen billen meer voelt en denkt
dat wij al klaar zijn, met een interessant zoemend en ratelend geluid en
helemaal uit zichelf onder een volautomatisch uitschuifbare arm met een nat
doekje door in de rondte draait. Geweldig. Minutenlang, lijkt het, zitten papa,
op zijn hurken, en zijn peuter, met zijn broek op zijn schoenen, te genieten.
Zijn zoon van het wonder, papa van zijn zoon. Maar goed. Dat potje was nog
altijd niet gevuld. Tegen beter weten in past papa of hij het minipiemeltje van
zijn zoon over de rand van de wc kan hangen terwijl hij er als een echte man bij
blijft staan maar hij komt nauwelijks halverwege. Papa probeert of hij zijn zoon
dan misschien een stukje op moet tillen, en dán dat piemeltje over die rand,
maar is uiteindelijk bang dat hij zo zijn broek, de bril, de vloer en papa’s
hand helemaal onderpiest en zet zijn zoon weer neer. Papa overweegt of hij dan
toch de gok maar zal nemen hem staande in het potje te laten plassen, en
desnoods de boel maar af te knijpen als het potje vol is, maar laat het bij de
overweging. Papa zet zijn jongen dus gewoon weer op de wc, in een voor papa
nogal vermoeiend soort zweefzit boven het gat, steekt het potje achterlangs,
onderdoor en op de tast naar waar het ongeveer wezen moet en spreekt
bemoedigende, aanmoedigende woorden. Trouwhartig kijkt zijn peuter hem aan.
Ik moet niet plassen papa.
©JosvanVenrooij