uit het huismannenpraatjesarchief
Pamp

Het is met die stukjesschrijverij over de kinderen al net als met foto’s inplakken: het is leuk voor later, het is zelfs al leuk wanneer het af is, het kost alleen zoveel moeite om je er toe te zetten. Allerlei achteraf nogal flauwe excuses, van moe en geen tijd tot tv, zijn al gauw goed genoeg om het verleden van je kind niet voorgoed voor de toekomst vast te leggen en in te plakken. En zo kan het gemakkelijk gebeuren dat de enorme stapel niet ingeplakte foto’s zélf het excuus wordt om het nog maar even uit te stellen en dat, mét het schuldgevoel, dat nog wel inderdaad, de berg mapjes uitgroeit tot een doos en meerdere dozen en doosjes waar op het laatst, of eigenlijk al eerder nog ook geen datum meer op wordt geschreven, of een ander aanknopingspunt, zodat je van sommige foto’s al niet eens meer zeker weet of het nou Luc of Rien is die daar zo schattig op staat te lachen. Alleen dat het Eva níet is staat vast. Tenminste... dat dacht je. Want tot hoever was die eigenlijk ingeplakt, ook weer? En zo gaat het dus ook met het geschreven woord. In het begin maak je nog braaf aantekeningen in een speciaal daarvoor aangeschaft boekje, handig klein, zodat je het altijd bij je kunt hebben. Later, als je dat handige kleine boekje even niet zo snel kunt vinden, denk je: ik onthoud het wel en áls je dan eens achter de computer kruipt, blijkt dat je je inderdaad wel heel veel herinnert, maar niet zo precies en ook weer niet alles maar wel erg door elkaar. En met foto’s kun je dan nog wel eens proberen een inhaalslag te maken en dan is het na een weekend met z’n allen stevig doorplakken nét of je al die tijd plichtsgetrouw en liefhebbend wekelijks boven het spinragpapier heb zitten cocoonen. Zeker als je er een beetje werk van maakt met leuke bijschriftjes en kartelrandjes en zo. Dat lukt met die verhaaltjes niet. Dat wordt niet dagelijks genoeg. Je blijft een beetje hangen in de grote lijnen en dat was nou net de bedoeling niet. De kleine ontwikkelingen, die je zo snel vergeet, die moesten vastgelegd worden. Dat Luc heeft leren lopen, dat weten we allemaal wel, dat is duidelijk te zien en te horen, iedere dag opnieuw. En het eerste echte stapje, dat vergeet je ook niet zo snel natuurlijk, maar het tweede stapje, en het zevende, dat gaat nu onze neus voorbij, want papa moest tv kijken. En zo is het met Rien nog erger gesteld. Wat het geschreven woord betreft moet die eigenlijk nog geboren worden. Een schande is het, wat ben ik voor vader? Wat had ik niet allemaal voor prachtige stukjes kunnen maken over hoe mooi hij kan lachen? Hoe hij dwars door het drilboorgeweld van de gevelreinigers heen bleef slapen. Hoe heerlijk hij tegen je aan bleef hangen voordat hij kon kruipen. Hoelang het duurde voordát hij kon kruipen. Over zijn laatste tandeloze grijns die we maandenlang aan hebben zien komen. Over hoe hij kan schateren om de uitsloverijen van zijn grote broer. Over het getob met baby-inhalers en spray-apparaten, het gehijg en gepiep en gezaag. Het verdriet over zo’n klein manneke dat je achterlaat in het ziekenhuis. En dat je dan pas echt goed merkt hoeveel je van hem houdt. De opluchting dat hij ook eigenlijk weer niet echt iets ernstigs mankeert, zeker in vergelijking met de slangen- en buisjestoestanden die je in andere kamertjes zag liggen. Hoe lekker driftig hij ruzie kan maken met Luc en vasthoudt wat hij niet kwijt wil. Theatraal gekweld kijkend steun zoekt bij papa en mama: dóe iets! Wat een lekker koppie hij heeft waar iedereen op straat naar kijkt. Hoe hij zelf met een geinkop om zich heen kijkt als hem iets moois overkomt: zien jullie wel hoe leuk ik het heb, kijk nou toch wat me nu weer gebeurt. Maar die stukjes zijn allemaal ongeschreven gebleven. Want papa was te moe. En papa had geen zin. En nu heeft papa spijt maar nu is het laat. Want nu heeft Rien geen zin meer om nog langer op papa te wachten, het moet er uit, twaalf en een halve maand, lang genoeg gewacht. Pamp. Zijn eerste woordje. En hij bedoelt de lamp, want daar wijst hij naar als hij het zegt, dus dat klopt, dat kunnen we verstaan. Goed zo Rien, roepen wij dus in koor en dan zegt hij het nog eens, pamp. Trots glundert hij naar boven, waar hij hangt, de pamp. En papa is ook trots, op zijn zoon, goed zo, knappe knul. Maar hij schaamt zich ook een beetje. Voor zichzelf. Foei toch, slappe lul.

©JosvanVenrooij