uit het huismannenpraatjesarchief
Oud zeer
Mijn dochter van vijftien kwam
vandaag thuis met haar rapport. In de pak hem beet acht, negen jaar dat ze nu alweer met
rapporten thuiskomt, is dat, zonder al te opschepperig te willen klinken, altijd een
feestelijke gebeurtenis geweest. De rapporten van mijn dochter staan altijd vol met
loftuitingen en complimenten, g-tjes en rv-tjes en achten en negens en tienen en ze laat
ze altijd met onverholen trots aan iedereen zien. Dertien g-tjes en vier rv-tjes, somt ze
dan op uit haar hoofd, het op één na beste rapport. En ik ben al net zo trots, omdat al
die glansrijke beoordelingen natuurlijk ook een beetje op haar vader afstralen, dus als ze
er zelf even niet aan denkt, roep ík wel opgetogen: laat je rapport even zien joh! Ook op
ouderavonden horen wij al jaren hetzelfde verhaal, dat er eigenlijk niets te vertellen
valt dan hoe goed onze dochter het doet. En dan zijn wij ook gelijk uitgepraat. We worden
er gewoon een beetje blasé van, mijn dochter haar moeder en ik. Zo erg zelfs dat we
laatst voor het eerst besloten maar eens een keertje te spijbelen. Tja. In elk geval, ook
nu sloeg ik haar rapport vol vertrouwen open en aan de bekende rij goedjes, voldoendes en
primas te zien, was dat weer geheel terecht. Mijn dochter dacht daar anders over,
aan haar gezicht te zien. En wat dat betreft lijkt mijn dochter wel een beetje op mijn
vader: het kan altijd nog beter dus het is zelden goed genoeg. Wat haar dwars zat, was het
commentaar bij gymnastiek. Ongemotiveerd, vond haar gymjuf mijn dochter, vooral in
teamsporten, bleek. Onterecht, vond zij zelf want zij was heus wel gemotiveerd, alleen,
zij werd nooit aangespeeld, al stond zij nog zo vrij. Mijn gedachten gleden af, naar
meneer Kromhout. Sinds ik in deze nieuwe buurt woon, zie ik hem nog wel eens lopen zo af
en toe. In gestrekte draf uiteraard. Met verende tred en lelijke schreeuwende pakken in
eeuwigdurende Coopertest. Hop hop hop hop. Meneer Kromhout. Grijs geworden, dat wel, net
als inmiddels ikzelf, maar verder nog helemaal de oude, nog op en top de gymleraar die mij
op de middelbare school aan een blijvende, diepgewortelde afkeer van alle vormen van sport
heeft geholpen. Zeg ik afkeer? Ik bedoel haat. En zelfs dat is nog zwak uitgedrukt. Van
alle doffe ellende die je gedwongen wordt door te maken op de middelbare school,
onbegrijpelijk en geheel ten onrechte wel eens de mooiste tijd van je leven genoemd, waren
de gymlessen van meneer Kromhout het onbetwiste en eenzame dieptepunt. Voor jongens als ik
dan, natuurlijk, die misschien niet eens zo heel erg slecht waren in sport, of
ongeïnteresseerd, maar die zich met hun stakerige, puisterige en knokige witte lijven
meestal zo snel geen raad wisten, in ieder geval nooit op tijd. En die zich onhandig
geïmponeerd weinig trefzeker voelden afsteken tegen al die gespierde en gebruinde
branieschoppers die dat wel wisten, met hun pakjes shag en hun grote bek, hun tongende
vriendinnetjes op schoot in de kantine en waar ik ook al zon hekel aan had. Vooral
tijdens gym, waar ze de baas waren. Waar ze jou, hun mindere teamgenoot, maar liever even
wegduwden, als de bal te dicht in je buurt kwam, om erger te voorkomen. Die zich liever
hopeloos vastliepen in een overmacht aan tegenstanders, toegejuicht en aangemoedigd door
de rest van het eigen team, dan dat ze de bal aan jou afgaven, al stond je als enige vrij.
Waar jij ook alleen maar als enige vrij stond omdat de tegenstander het de moeite niet
waard vond je te dekken, jij werd immers toch niet aangespeeld, dat wist iedereen, zo was
het stilzwijgend afgesproken, niet eens voor spek en bonen, welnee, jij liep alleen maar
in de weg. Dus als er een doel was, werd jij erin weggemoffeld, was je niemand tot last,
kon de rest ongestoord uitblinken en presteren. Goeie actie! Goed gespeeld! En als de
tegenstander onverhoopt oprukte tot aan jouw doel, nam iemand anders het wel even over,
sukkel. Alleen bij handbal kon dat dan weer niet want daar mocht niemand in de cirkel,
behalve jij, de ongewilde, ongewenste keeper, dus daar was je dan echt helemaal op jezelf
aangewezen als er zon mensaap schreeuwend op je af kwam vliegen om de bal zo hard
mogelijk tegen jou aan te gooien, waarna hij toch ook nog wel het doel inketste, onder
eensgezind hoongelach en boegeroep omdat jij liever het vege lijf redde, ineengedoken
naast het doel. Ja, dat waren hele leerzame uurtjes, die uurtjes gymnastiek. Vooral omdat
meneer Kromhout, die er tenslotte voor doorgeleerd had, altijd wel iets wist te verzinnen
waardoor je je nóg minder ging voelen dan het onwaardige niets waar je klasgenoten je al
voor aanzagen en uitmaakten. Je móet ook niet je slechtste man in het doel zetten, riep
hij dan bijvoorbeeld als educatieve reactie op de algehele minachting voor jou, wanneer
jij het, ongemotiveerde, via rode, ronde en brandende plekken op je rug, je armen en je
benen die je tot de volgende gymnastiekles bleef voelen twee nul, drie nul en vier nul had
laten worden. Als aan het begin van het dubbele uur gym de teams gekozen werden, vond
meneer Kromhout het bij de laatste vier of zes jongens wel weer lang genoeg geduurd hebben
en verdeelde hij met een vaag armgebaar het overschot, waar toch niemand wat aan had, wat
toch niemand er echt bij wilde hebben, waarvan het toch niet uitmaakte welk team het voor
de voeten liep omdat iedereen er evenveel last van zou hebben. Eén keer had meneer
Kromhout helemaal iets leuks bedacht. In plaats van altijd maar de besten de teams te
laten kiezen, vond hij waarschijnlijk zelfs nog serieus dat hij iets verantwoords deed
ook, mochten nu de slechtsten dat eens doen. Geinig, vond iedereen dat wel. Dus daar stond
ik, samen met één van mijn lotgenoten, een wat zware jongen met een bril, met hele dunne
armen en altijd een tien voor wiskunde, die de week daarvoor nog voor dikke vette luilak
was uitgemaakt, door meneer Kromhout, omdat hij niet in een touw kon klimmen, wat hij de
hele rest van de les toch moest blijven proberen in plaats van te gaan zitten janken,
verdomme! En volkomen geïntimideerd kozen wij allebei om de beurt onze eigen kwelgeesten,
in dezelfde volgorde als altijd, tot meneer Kromhout het, ook als altijd dus, bij de
laatste vier dan wel weer genoeg vond geweest. Nee, het zijn geen warme herinneringen die
meneer Kromhout bij me oproept wanneer hij door de buurt loopt te joggen. En erg gesleten
is het ook niet, in al die jaren. Want die gymjuf van mijn dochter, die trek ik op de
eerstvolgende ouderavond aan haar trainingspak over de tafel, om haar en alle andere
meneren Kromhout te vragen of het nu dan misschien eindelijk eens een keertje afgelopen
kan zijn met die vreselijke teamsporten en dat afschuwelijke aan fascisme grenzende
fanatisme waarmee iedereen die maar een beetje aarzelt of onzekert meteen tot waardeloze
kruk genegeerd en afgeslacht wordt. Heb ik ook eens wat om over te praten.
©JosvanVenrooij