weblog archief juli 2009                        terug naar het bewijs »



7-7-09

Alternatief
Niet dat hij het van binnen al helemaal af had hoor, zijn droomhuis op het platteland, verre van dat zelfs, maar omdat de buitenboel, waar hij in zijn grotestads yuppenappartement van weleer nooit omkijken naar had gehad, nu wel erg zichtbaar om onderhoud begon te vragen, had de man besloten deze zomer de buitenboel dan ook maar aan te gaan pakken. Een man moest doen wat een man moest doen, nu eenmaal.
Het schilderwerk, uiteraard, de kozijnen, de ramen, de dakgoot, het schuurtje. De dakkapel. De voordeur fatsoeneren, het antieke tegelwerk in het portaaltje herstellen, een regenpijp vervangen. Maar ook het één en ander in de tuin.
Een terras namelijk, direct achter het huis.
Waar het nu nog een moeilijk begaanbaar allegaartje van verlopen gazon en betonnen randjes en stoepjes was. Een tijdelijke opslagplaats ook, van van alles en nog wat dat in de rest van de tuin geen plek had gevonden maar hier wel, omdat het hier nog niet echt bij de tuin hoorde, maar ook niet meer bij het huis. Of andersom of zoiets. Een onduidelijk rommeltje.
Straks zou het heerlijke, ruime plek zijn om meteen ’s ochtends vroeg al buiten aan tafel te ontbijten. En daarna de krant te lezen, of een boek, bij de koffie. ’s Avonds buiten in de luwte te eten met een glaasje koele witte wijn.
Het waren waarschijnlijk precies deze vooruitzichten die de man ertoe hadden gebracht juist met die laatste klus te beginnen. Om er verderop in het seizoen zijn murwgeschuurde en moegeschilderde dagen ook met een biertje te kunnen besluiten.
En het eerste dat ervoor moest gebeuren, vond de man, was het bakstenen muurtje, dat in de loop der jaren op alle denkbare plekken door de ene bewoner was opengehakt en later door de volgende bewoner op een andere plek weer zéér provisorisch was dichtgemetseld, voor eens en voor altijd keurig netjes glad afstucen en een vrolijk kleurtje geven. Dat zou een veel fraaier en rustiger beeld geven dan de aftandse, armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurmetselwerk die het nu was.
Welgemoed was de man de afgelopen weken dus met cementstuc, troffel, voorstrijk en plakspaan in de weer geweest.
Maar het was hem niet meegevallen.
Het was hem bepaald niet meegevallen.
Hoe zwierig en behendig hij zijn gereedschap ook op en neer en heen en weer langs de muur liet glijden, hij kreeg het niet zo strak en glad als hij het in zijn hoofd had. Het bleef maar een beetje een armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurstukadoorwerk. Met hobbels en bobbels en randjes. Waar je trouwens, ontdekte de man, als je er maar lang genoeg beteuterd naar bleef kijken, allerlei voorstellingen in kon zien. Van vriendelijk lachende stripfiguurtjes tot keiharde porno. Nee, na inmiddels twéé voltooide pogingen was de man nog helemaal niet tevreden.
Vóórdat hij deze week echter voldoende moed voor een derde poging bij elkaar had geschraapt, kwam zijn buurman de tuin binnenlopen. Zijn buurman die óók een oud huis aan het verbouwen was. En die zijn gestucte muurtje nog niet gezien had. Er voor het eerst zijn blik over liet gaan.
Er in een breed gebaar waarderend zijn hand over streek.
Móói, vond de buurman het muurtje, nog vóór de man zijn gebruikelijke verontschuldigingen naar voren had kunnen brengen van dat het nog niet af was, en helemaal niet goed.
De buurman vond het mooi. Een beetje ruw en nonchalant, niet te nieuw en niet te netjes.. een beetje alternatief, zoals zo’n muurtje hóórde te zijn. Perfect. Zeker als het straks geverfd was.
Ja, dacht de man, ja, zó kon je het natuurlijk óók bekijken. Dat scheelde een hoop werk en gedoe. En even probeerde hij het. Of híj het óók zo kon bekijken.
Maar nee.. Nee.. Dát lukte toch niet.

6 -7-09

Scheetje beef
Dat hij van de week natuurlijk altijd even terug kon komen, wanneer er verder nog iets versteld moest worden, aan de nieuwe bril, maar dat het óók nog een beetje wennen was natuurlijk, rondde de buitengewoon vriendelijke verkoper het af voor vandaag.
De man had dan ook zojuist voor een paar honderd euro nieuwe brillen afgerekend en de buitengewoon vriendelijke verkoper was er wel even zoet mee geweest ze allemaal precies naar wens recht en niet te strak maar ook niet te losjes op het hoofd van de man te krijgen. Vooral bij de bril voor dagelijks gebruik was de man nogal aanhoudend van mening geweest dat die een beetje scheef stond. En telkens had de buitengewoon vriendelijke verkoper hem de bril weer voorzichtig met twee handen afgenomen en er in zijn brillenkeukentje iets aan verwarmd en gewreven en verbogen. Tot de man zelf uiteindelijk dan ook maar was gaan denken dat het waarschijnlijk óók nog een beetje wennen was natuurlijk, hij de verkoper vriendelijk bedankte en vertrok.
Maar wennen deed het dus niet en de man blééf lopen met het gevoel dat zijn bril een beetje scheef stond. Een beetje losjes, aan één kant. Niet lekker zat, zoals het hoorde. En in de spiegel meende hij dat trouwens ook te zíen, hoewel het moeilijk te beoordelen viel omdat hij zijn hoofd er in van die vreemde standen bij moest houden. Dus was hij teruggegaan naar de winkel, waar hij dezelfde buitengewoon vriendelijke verkoper aan de balie trof. Die het razend druk had met een andere klant maar niettemin vroeg of hij snel tussendoor misschien iets voor de man kon doen.
De man vertelde wat hem stoorde.
De buitengewoon vriendelijke verkoper liet hem, in verband met de tijd, niet helemaal uitspreken, keek zijn bril eens indringend aan en sprak zijn vakkundig oordeel uit dat het niet aan de bril lag. De bril stond recht. Het was de vorm van zijn hoofd. Voor de lieve vrede wilde hij heus wel even een beetje aan een brillepootje rommelen, maar daarna drukte hij de man de bril met een beslist gebaar op de neus en met een even vriendelijk als onverzettelijk tot ziens wendde hij zich weer tot zijn klant. Die óók koning was tenslotte, dat begreep de man ook heus wel. Maar zijn bril zat nog altijd een beetje scheef. En losjes aan één kant. Dat voelde hij op de stoep al.
Dus nu restte de man niets anders dan regelmatig langs de brillenwinkel lopen en door de ruit naar binnen kijken of er vandaag misschien een ándere verkoper aan de balie stond. Die níet vond dat hij een rare kop had. En zijn bril even recht wilde zetten. Want zo zat de man in elkaar.

3-7-09

Dikke pret
Goed, het was warm.
Het was zomer, en bijna vakantie.
Het basisonderwijzend personeel had het zó druk met het afronden van het schooljaar vóór de zés(!)weekse vakantie begon dat ze de kinderen er deze week eigenlijk ook al niet meer bij konden hebben. Die hoefden deze week dus alom alleen nog maar ochtendjes naar school, om in hun al wel vast onttakelde lokalen een beetje te freewheelen. Na de feestweek van vorige week.
En natuurlijk had iedereen inmiddels ook braaf zo'n door de aldi of de action of een andere goedkope-rotzooi-boer voorgeschreven opblaasbaar zevenpersoons zwembad in zijn tuin staan. Naast de al even onvermijdelijke gigantische trampoline. Voor de kids.
Hartstikke leuk. Lekker spelen.
Tot zover kon de man het allemaal nog wel hebben. Iedereen zijn lol.
Maar was het nou óók normaal dat hem nu dus al meerdere middagen de hele middag tot diep in de avond horen en zien verging van de krijsende, gillende, joelende, scheldende en elkaar de tent uit treiterende kinderen zonder dat er ook maar één keer een vader of moeder naar buiten kwam om daar iets van te zéggen? Om de boel een kléin beetje in goede banen te leiden? In íets rustiger vaarwater? Jongens, denken jullie een beetje aan de buren? Dat werk?
Nee. Ja. Nee. Dat was inderdaad normaal. Want hij hoorde het in zeker drie achtertuinen om de zijne heen precies zo gebeuren. Of niet gebeuren. Dús dat was normaal. En de man was een zeikerd. Zo zou het wel weer zijn.