uit het huismannenpraatjesarchief
Een heel paard half
Luc had een nieuw paard nodig.
Hij hád al een paard en daar was hij dol op. Dat zat bijna vastgeplakt in zijn knuist.
Want Rien vond het ook wel erg mooi. Mijn paard. Alles kon bewegen: benen, hoofd en
staart. Alleen moet je dat niet doen natuurlijk, want dan gaat het kapot. Zo zit dat met
speelgoed. Als het al mooi is, is het dat alleen in de winkel. Als je het thuis uitpakt,
is het al bijna kapot. Je hoeft er alleen nog maar even mee te spelen. Dan volgt het
verdriet vanzelf. Paard kapot. Papa probeert het dan eerst nog te repareren
natuurlijk want al heeft hij het pas een dag, of twee, het paard hóórt al bij het gezin.
Luc, paard, papa, mama, Rien. Eva. In die volgorde. Maar ja, je ziet het meteen en je wist
het allang: dat wordt niks. Dat is ook helemaal de bedoeling niet, dat je dat een beetje
gaat zitten repareren. Kom op zeg! Nieuwe moet je kopen. En snel! Maak je kinderen maar
gauw weer blij met een nieuwe op sterven na dooie mus. Hoe komt het toch dat iedereen daar
steeds weer intrapt? Wáárom koop je in vredesnaam drie autootjes voor een rijksdaalder
terwijl je wéét, terwijl je kan zíen, terwijl algemeen bekend is dat dat nóóit iets
fatsoenlijks kan zijn? En waarom ben je dan toch nog nijdig ook als ze inderdaad bij het
eerste ritje door de iele asjes gaan? Op je vrouw natuurlijk, die die rotzooi koopt. Bij
de Zeeman en de Blokker en noem de zwijnerij maar op. Altijd raak voor een knaak, ze is er
niet weg te sláán. Zelf weet je wel beter. Nou, dan gaan we van de week wel een nieuw
paard kopen, belooft papa dus en hij denkt: dan kopen we gelijk iets stevigers. Zon
ouderwets degelijke, massief plastic boerderijknol van vroeger, waar helemaal niet eens
wat aan kapot kán. Had papa zo gedacht. Ja, dát had papa gedacht. Want dát hebben ze
niet in de grote speelgoedwinkel in de winkelstraat. Gewoon alleen een paard. Het meisje
van de winkel had er toch al niet zon zin in vandaag, in al die klanten in de zaak,
maar dit vindt ze wel héél erg saai. Als knuffel bedoelt u? vraagt ze nog even of papa
zich soms niet vergist. Maar nee, gewoon een plastic paard, daar kan het kauwende meisje
papa helaas maar niet heus niet aan helpen. Wel hele dure grote roze dozen, wuift ze vaag
van zoek het maar uit naar achter in de winkel, roze dozen met een compleet
merkpaardengezin erin waar ook alles aan kan bewegen. Met echte haren ook, met een
borsteltje erbij. Nou, dat vindt Luc wel wat, hoor. Babypaard, roept hij vertederd
en met begerige armen draagt hij de doos het gangpad in. Hij kan er nog net overheen
kijken, met zijn verliefde ogen. Iets hoger in het schap, waar kinderogen niet kunnen
komen, staan dan nog iets kleinere roze dozen. Met één-ouder-paardengezinnen. En
kinderloze paardenstellen. Allemaal merk en schreeuwend duur en tot en met het borsteltje
nog binnen het uur kapot, dat ziet papa zo. We gaan wel ergens anders kijken voor een
ander paard, zet papa de grote roze doos weer terug. Anner paard, is Luc gelukkig
niet al te teleurgesteld en paad, vindt Rien alles best, want die begint ook al te
praten. Op de fiets dus, naar de stad, naar de dure houten speelgoedwinkel. Het mag
namelijk best wat kosten als papa ergens een punt van maakt. Vastberaden stapt papa met
zijn jongens de verantwoorde speelgoedwinkel in. Maar als hij de deftige moeders ziet, met
hun deftige jassen en shawls en vooral de deftige prijskaartjes aan het verantwoorde
houten speelgoed, waar ze zonder blikken of blozen nog serieus over lijken na te denken
ook, vraagt papa zich toch even af of hij hier wel verstandig aan doet. Hoe duur wil hij
zijn punt laten worden? Ondertussen probeert hij ongemerkt Rien zijn jas zo te schikken en
te plooien dat je die wit-uitgeslagen kwijlplek niet zo ééntweedrie meer ziet, want papa
denkt nou al een paar dagen dat hij die jas wel eens mag wassen maar al die deftige
moeders geloven er natuurlijk niks van dat dat er maar steeds niet van komt. En denk erom,
nergens aankomen, zegt papa ook nog tegen Luc, want verder zijn er geen kinderen in de
winkel, de deftige moeders hun kinderen worden zeker door de au pair van de vrije school
gehaald. Dat Luc toch overal aanzit vinden de dames van de winkel helemaal niet erg. Dat
is ook veel te moeilijk zeggen ze met een deftige, vertederde lach. Wat een schatjes,
vinden ze. En ja hoor, paarden hebben ze ook. Precies de ouderwets degelijke, massief
plastic boerderijknol die papa in gedachten had, van vroeger nog. En niet één, maar wel
zeven verschillende. Zwart, bruin, gespikkeld. Rennend, briesend of grazend. Luc vindt ze
allemaal even mooi, allemaal even lief. Hij wil ze allemaal wel. En ook nog wel een koe.
Een kwartier heeft hij nodig om uit te vinden dat de eerste die hij vasthad, de witte, dat
hij díe het allermooiste vindt. Rien wist dat al gelijk, die laat de zijne niet meer los.
Paad, zegt hij, paad. En als hij ook paad zegt tegen de koe, vinden
de dames van de winkel dat tóch hartstikke knap. En dan nu het mooie: die twee
oerdegelijke niet kapot te krijgen paarden waar ze de rest van hun leven heerlijk mee
kunnen spelen en die ze later weer doorgeven aan hun eigen kinderen, hier jongen, die
heeft papa nog van zíjn vader gekregen, twee van zúlke paarden, kosten precies hetzelfde
als dat stelletje merkkneuzen in die grote roze doos dat ze na een uurtje borstelen al aan
het huilen maakt. Dus wie heeft er nou gelijk? Ik vraag me trouwens af waar mijn massieve
boerderijknol van vroeger is gebleven. Kapot kan hij niet zijn.
©JosvanVenrooij