uit het huismannenpraatjesarchief
Een echte man, mijn vrouw

Wij hebben thuis namelijk de rollen omgedraaid, zoals dat heet. Mijn vrouw en ik. Dat kwam ons allebei een stuk beter uit, vandaar. En het klinkt wel modern. Of, geëmancipeerd in elk geval. Dus sinds de jongens er zijn, zorgt mijn vrouw voor de centjes en ik voor de kindjes. En de puber, als die er is. Mijn vrouw werkt buitenshuis en ik blijf thuis, met de jongens. En de afwas. Mijn vrouw is kostwinner, ik doe óók iets voor de kost. Mijn vrouw mag 's ochtends als eerste de krant, ik kom er daarna meestal niet zo erg meer aan toe, want ja.. En ach.. Mijn vrouw trekt om acht uur de deur achter zich dicht en vertrekt, ik blijf achter met de ontbijtboel, twee poepluiers, een peuter vol chocopasta, de wasmand en het boodschappenlijstje. Er zijn dagen dat ik de deur niet eens uitkom. Mijn vrouw komt wat later thuis, ze heeft een vergadering, een borrel, een overleg, een huisbezoek, een feestje. Mijn enige volwassen conversatie gaat over hoe oud ze zijn en zo lief. Over kooppunten en klantenkaart, en of ik dat kan pinnen. Mijn vrouw werkt aan haar carrière, brengt haar opleiding in praktijk en vindt bevrediging in haar werk. Moe is ze, als ze 's avonds thuiskomt. Ik ben ook moe als ze 's avonds thuiskomt, dus als ik eten gekookt heb en de kinderen liggen in bed, de oudste van dertien om kwart over negen, dan komt het er niet meer van om ook nog iets met míjn opleiding te doen. Dan wil ik eigenlijk wel bijna naar bed. Bovendien vindt mijn vrouw dat niet gezellig, we zien elkaar toch al zo weinig. Dus in het weekend lukt het ook niet altijd. Mijn vrouw stapt 's avonds uit haar onderbroek, toont mij haar verleidelijke billen, rekt zich nog eens nakend uit en vraagt of ik óók naar bed kom. Ik zet de computer uit, hoewel ik net op gang kwam, en kruip vijf minuten later naast haar slapende tempel. 's Ochtends raap ik haar onderbroek op en doe hem in de was, samen met de rest van haar gedragen goed. Mijn vrouw moppert als ze 's zaterdags de boodschappen moet doen, dat dat onmogelijk is met twee kinderen. Ik doe elke dag boodschappen met twee kinderen en heb niemand om daarover tegen te mopperen. Mijn vrouw komt thuis met plastic tasjes en hangt die zolang aan deurkrukken, stoelleuningen, traphekjes, sleutels, plankdragers, handgrepen en wat er verder nog uitsteekt in huis. Ik ruim op wat er inzit, verderop in de week, en verzamel de lege tasjes, voor later hergebruik. Mijn vrouw kijkt televisie terwijl ze de baby voert, of ze telefoneert, dat kan ook. Ik probeer tijdens het koken mijn aandacht te verdelen over de pannen op het vuur en de peuter, die er bij wil zijn om te helpen en te kijken en te proeven. En uit zijn stoel te klimmen. Mijn vrouw vertelt over haar werk, haar collega's, haar school en haar plannen als haar gevraagd wordt wat zij doet. Ik luister naar de carrières, projecten, initiatieven en successen van anderen. Als mijn vrouw een keer kookt, eten we afhaal, wat iedereen lekker vindt. Ik probeer iets gezonds te koken dat toch iedereen smaakt, wat bijna nooit lukt met een puber en een peuter in huis. Als mijn vrouw een keer kookt, doe ík de afwas. Als ik heb gekookt, doe ik óók de afwas. Heb je geen bróód gehaald, klaagt mijn vrouw boos, als ik de was heb gevouwen, gestofzuigd, gedweild, de afwas gedaan en het bed heb verschoond, het eten gekookt, het huis opgeruimd en de kinderen tevreden maar inderdaad, vergeten brood te halen. Bedankt dat je de afwas hebt gedaan, zeg ik, als mijn vrouw dat op zondag doet. Mijn vrouw komt opgetogen thuis met haar salarisstrook: moet je kijken, roept ze blij, mijn vakantiegeld is binnen! Indrukwekkend, inderdaad. Mijn beloning ligt meer in het niet materiële. De glimlach van een kind, een tusje op zijn tijd en het feit dat de peuter, als hij zijn hoofd stoot, zijn knie schaaft of zijn vinger klemt, en dat doet hij nogal eens, het eerst om zijn vader blèrt. Hij heeft de rollen óók omgedraaid, al weet hij dat niet. Als mijn vrouw zich eens wat minnetjes voelt, een griepje onder de leden, wat te hard gewerkt, dan meldt zij zich een dagje ziek, kruipt eens lekker onder de wol om een beetje bij te slapen. Als ik er eens een dagje geen puf in heb, en geloof me, dat komt voor, dan moet ik mijn eigen sinaasappeltjes persen, al wil de peuter daar perse bij helpen. En als ik dan ’s avonds eens mijn geëmancipeerd gemoed lucht, van gadverdergadverdegadver, dan zegt mijn vrouw: man, je lijkt wel een wijf.

©JosvanVenrooij