|
Uit:
Cowchannel in de bedstee
Zeven slaapkamer-
portretten
|
Van breeuwsel, merkel en
buikdenning
De varende slaapkamer
van Ando Heijnis, eigenlijk werktuigbouwkundig ingenieur,
Arnhem,
en overal & nergens
Kijk, je hebt woonboten en woonboten. Je
hebt van die drijvende villa’s met een kelder en een zolder, twee
badkamers, een inpandig balkon en een dakterras. Waar links links is, en
rechts rechts. En die je misschien, als het echt moet, wel een stukje
verderop zou kunnen duwen of slepen, maar met varen heeft dat allemaal
niks meer te maken. En je hebt woonboten zoals die van Ando. Waar je als
landrot wat onzeker aan boord stapt, wankel je weg zoekt over het dek en
met een ongemakkelijk steil trappetje afdaalt in het karig verlicht
vooronder, terwijl je je heimelijk probeert te herinneren hoe het nou
ook alweer zat, met dat stuurboord en dat bakboord.
Ando: ‘Oorspronkelijk is
dit een zeilschip met hulpmotor, of een motorschip met een hulptuig, net
hoe je het wilt zien, en het is gebouwd in 1892,
voor het Rijk, om gasboeien voor de navigatie op de Zuiderzee en de
Noordzee van gas te voorzien. Dat waren boeien met een lichtje, die je
’s nachts bij het varen kon zien, en ze hadden een aantal schepen die
steeds al die tonnen langs gingen, om ze te vullen. Dat was een heel
onhandig systeem: ze hadden twee grote gastanks aan boord, die werden
ergens in Hoek van Holland gevuld, bij een gasfabriek, en dan moesten
ze, ook bij slecht weer, bij zo’n ton afmeren, en dan een slang
aankoppelen en dat gas overpompen. Toen ze later op een ander systeem
overgingen, met verwisselbare flessen, is het schip omgebouwd tot een
soort tonnenlegger. Daarbij is het zeiltuig veranderd in een hijstuig.
De indeling was toen ook nog heel anders. Toen had je bovendeks een
mooie ingangskap, met een schuifluik, daar heeft het houtwerk heel mooi
tegenaan gelopen, met randjes en verbindingen en waterdichte toestanden,
en dan kwam je met een kwart wenteltrapje beneden, in een halletje. Dan
was hier aan bakboord een wc-tje, de afvoerpijp zit er nog, en omdat het
dus een officieel schip was, waren er aparte ruimtes voor de bemanning,
dus het volk, aan de ene kant, en de schipper en de machinist aan de
andere kant. De machinist stond hoog in aanzien dus die had met de
schipper een eigen ruimte. Met twee bedden boven elkaar, en twee sofa’s,
waarschijnlijk heel mooi bekleed, en aan de andere kant was dan het
volksverblijf. Daar konden geloof ik vier man slapen. Wat nu het trapgat
is, was een lichtluik, daarachter stond een fornuis, daar konden ze wat
koken, en dan hadden ze nog een tafel met wat troep en dat was het. Het
schip voer vanuit Amsterdam en ik denk dat ze er wel een dag over deden
om de Zuiderzee af te werken, tot aan Den Helder, en dat ze dan de
volgende dag langs de Noordzeekust terug gingen naar IJmuiden, dus het
kwam waarschijnlijk wel regelmatig voor dat ze in elk geval één nacht
wegbleven. Maar misschien ook wel langer want ik heb ook foto’s gezien
dat het schip op Schokland lag, dus dat was aan de andere kant van de
Zuiderzee. In de jaren vijftig is het schip uit de overheidsdienst
verkocht en in de zandzuigerij terechtgekomen. Iemand had een werkbak
nodig, heeft dit schip gekocht en het gigantisch verbouwd. Alle
oorspronkelijke dingen aan dek zijn er toen afgehaald, de motor eruit,
het roer eraf; er heeft een soort lage opbouw boven de gastanks gezeten,
die is er afgesneden, het dek is weer grofweg dichtgelast, heel lelijk
gedaan is dat, heel slecht ook; de betimmering is afgefikt bij een brand
in het vooronder en na veertig jaar in de zandzuigerij was het schip zó
afgeschreven dat het naar de sloop zou gaan, en toen heb ik het gekocht.
Er zat nog acht ton zand in.'
Voorwaar een schip met een verleden. Zeg maar gerust: een geschiedenis.
En die heeft haar sporen dan ook wel achtergelaten, zoals zij gewoon is
te doen, de geschiedenis. Dus behalve die acht ton zand, zat er ook nog
een flinke berg werk in, voor Ando, die vastbesloten is het schip weer
goed varend, én zeilend te maken, zodat hij er ook mee naar Engeland
kan. Naar Denemarken, Noorwegen, noem maar op, het is voor kustwater
gebouwd tenslotte.
Ando: ‘De staat van het
schip is nú heel slecht. Dat is niet alleen omdat hij is afgebeuld in
de zandzuigerij, dat is ook uit de tijd dat hij nog veel op zout water
zat. Die ronde gaten in de huid, daar hebben patrijspoorten gezeten en
die hebben waarschijnlijk gelekt. Dus je kunt wel raden wat er gebeurd
is, zout water met staal: precies tussen die spanten waar die
patrijspoorten hebben gezeten, is een spoor van ellende en roest en
vernieling getrokken. Je kijkt gewoon dwars door de huid heen, het is
kats verrot. En dat water heeft zich onderin natuurlijk verdeeld naar
achteren, dus het hele voorschip is verschrikkelijk aangetast geraakt.
Daar zitten eindeloos platen overheen gelast aan de buitenkant en dat is
zo’n ratjetoe geworden dat ik eigenlijk ooit een keer al die gangen
eraf wil nemen, op de werf, en dan langzaamaan van de kielbalk af naar
boven nieuwe gangen zetten. En dan heb ik hem natuurlijk weer zó goed
en sterk en nieuw dat ik voorlopig weer klaar ben, met repareren. Maar
dat is nogal een onderneming. En dan is er het dek. Dat zijn
grenenhouten delen, vijf centimeter dik, en dat was van boven waterdicht
gemaakt met breeuwsel. Een gebreeuwd dek. Dus dan slaan ze in de
lengtenaden katoen, of hennep, net wat ze hadden, en met een soort
trechtertje gieten ze daar dan een streep pek overheen, hete pek, en als
dat hard is geworden, steken ze het mooi schoon en dan is het een keurig
dek. En dat moet dan waterdicht zijn. Nou, dit zit er dus een dikke
honderd jaar in en daar is geen spaan meer van heel. Allemaal verrot en
slecht, daar zijn allerlei gaten in gezaagd en in de jaren vijftig
hebben ze er waarschijnlijk een stalen dek overheen gelast om van de
nattigheid af te zijn, maar elke keer als je er een beetje op loopt komt
er rotzooi naar beneden. Het is hier ook vreselijk vuil, dat komt
allemaal van boven. Dit schip vervuilt zichzelf heel erg. Stof,
roestkorrels, houtsplinters. En dat valt overal. In de keuken, op tafel,
in mijn bed. Maar goed.’
En zo zijn er wel meer van die
dingen, die de moderne mens misschien als ongemak zou ervaren, maar waar
Ando prima mee kan leven. Geen douche aan boord, bijvoorbeeld, is zeker
’s zomers géén probleem. Water genoeg, om in te springen. Washandje
mee, een stukje zeep, een handdoek en poedelen maar. Dat is bijna beter
dan douchen. En een wc is er ook niet, maar dat kan gewoon op een emmer
en die plons je dan leeg overboord, daar zou het met een toilet
tenslotte ook terecht zijn gekomen. Dus ach, een beetje gruis in je
bed.. als je de dekens overdag dichthoudt, heb je er geen last van. Ando
is toch al niet iemand die nou handenvol geld zou uitgeven aan zoiets
simpels als een bed.
Ando: ‘Ik begrijp niet zo
goed dat er mensen zijn die duizenden guldens aan een bed besteden. Daar
kun je toch waarachtig wel wat beters mee doen, met dat geld. Als je
nagaat hoe hard je ervoor moet werken, voor je dat bij elkaar hebt. Ik
heb mijn bed gemaakt van het grofste en smerigste hout dat ik had
liggen. De ladingresten hingen er nog aan, als het ware. Bij een
kringloopwinkel heb ik nog één of ander tweedehands matras gevonden,
dat heb ik toen hier naar binnen gesleurd en in één middag tijd heb ik
toen, heel grof en snel, dit bed in elkaar getimmerd. Het is gemaakt van
buikdenning, dat is de houten vloer uit het ruim van een schip, waar de
lading op ligt. En deze staander hier, dat is eigenlijk een soort
gootje, een watergootje, waar de luiken die de lading afdekken op
rustten. Een merkel, heet dat. Een houten merkel. Je had ze ook van
ijzer, maar dit is een houten. Komt van één of ander scheepje en ik
mocht dat hebben voor brandhout, maar ik vond dit een beter doel. Dus
daar heb ik een soort raamwerk van gemaakt, van staanders en
lengtebalken, daar een zootje planken overheen, ik heb ze geloof ik niet
eens vastgespijkerd, en dat is het dan. Er zitten spleten tussen voor de
ventilatie. Ach, er wordt altijd zo fantastisch over gedaan, met
vochtwerende ondermatrassen, geperforeerde bodems en lattenbodems en
weet ik veel, maar ik doe het al jaren zó, en het gaat al jaren goed.’
Het duurt waarschijnlijk nog wel
even voordat Ando het schip heeft zoals hij het hebben wil, zoals hij
het voor zich ziet. Voordat het ís wat hij er in zág, die eerste keer,
toen hij het kocht, tien jaar geleden alweer. Maar dat deert hem niet,
oh nee. Híj heeft de tijd. Hij snapt al die haast ook niet, en al dat
gejakker. En hij heeft nou eenmaal een ingewikkeld traject gekozen. Of
eigenlijk heeft het ingewikkelde traject hem misschien meer gekozen. Dat
is nooit zo duidelijk, met dat soort dingen.
Ando: ‘Toen ik het schip
kocht, studeerde ik nog. Eerst de hts, daarna werktuigbouwkunde, in
Enschede. Ik woonde op een studentenkamer maar als ik in Arnhem aan het
schip werkte, wilde ik er toch op overnachten, dus toen heb ik er een
bed in gemaakt, voorin. Dat was het eerste dat ik deed. Dat is langzaam
uitgebreid met een tafel, een kachel, een keukenblok kwam erbij en ik
kon er al snel goed op verblijven. Ik vond het hier eigenlijk ook wel zo
prettig, en ik kon er ook wel het een en ander studeren, dus ik zat ál
vaker op het schip en begon er meer en meer aan te werken. Dat begonnen
mensen te zien en die zeiden: hé, dat is leuk, dat doe je goed, kun je
dat voor mij ook doen? Nou, dat kon wel want een beetje geld verdienen
is natuurlijk nooit weg, dus dat deed ik dan naast mijn studie. Zo heb
ik een roef gebouwd op een klipper-aak, een achterdek vernieuwd, een
voordek en zo ging dat maar door. Intussen had ik mijn studie af, en ik
had helemaal geen zin om een baan te zoeken bij één of ander bedrijf
achter de computer, dus ik dacht: ik blijf dit gewoon maar doen. En
omdat het werk zich maar zo uitbreidt, heb ik nu een hele grote klipper
gekocht, van zesendertig meter, en die wil ik nu helemaal gaan ombouwen
en opknappen zodat ik straks een schip heb waar ik goed op kan wonen:
geïsoleerd, met een goede verwarming, een douche, een wc, en eigenlijk
ook een ligbad; en waar ik al mijn machines en gereedschap op kan
hebben: een draaibank, een grote zaagmachine en dat soort spul. Ik ben
al tien jaar gereedschap aan het verzamelen, omdat ik steeds dacht: hé,
dat is mooi, als ik dit of dat heb, kan ik zus of zo maken. Een
draaibank was bijvoorbeeld altijd een grote wens. Tot ik er een keer
voor weinig geld tegenaan liep. Dat ding was kapot, overgebleven uit een
of andere bedrijfsinventaris en die moest naar het oud ijzer. Had ik
voor vierhonderd gulden een draaibank. Ik heb hem gerepareerd, en ik red
me er al jaren mee. Maar goed, als ik dan over een jaar of wat die
klipper voldoende op orde heb, dat ik daarin kan wonen en er normaal
mijn geld mee kan verdienen, dan kan ik dít schip helemaal leeghalen en
opnieuw opbouwen. Want het is een fantastisch scheepje om lekker mee te
varen.’
©2003JosvanVenrooij |
foto:
Wim van der Spiegel
|